Kampen

De windmeter ( anemometer)

De windmeter wordt officieel anemometer genoemd. De Ierse astronoom Thomas Robinson vond hem in 1846 uit. De anemometer is een ronddraaiend molentje met 3, 4 of 5 halve bollen. Die heten cups. Ze zitten met kleine stangetjes vast aan een draaibare as. De halve bollen zijn van binnen hol. De wind brengt de cups in beweging. Als het aantal omwentelingen geregistreerd wordt dan kan de windsnelheid uitgerekend worden. Gelukkig gebeurt dat automatisch en zie je de windkracht in meters per seconde op een scherm. Aan een anemometer zit meestal ook een windwijzer vast.

Als je een anemometer hebt dan moet die zo vrij mogelijk worden opgesteld. Als er obstakels in de buurt zijn zoals bomen en huizen dan moet de anemometer op een afstand van 20 x de hoogte van de obstakels staan. Dat kan bij mij in geen geval en in de meeste tuinen ook niet denk ik.  De anemometer moet op een hoogte van 10 meter meten. In tuinen gebeurt dat vaak op een hoogte van twee meter. Vaak zie je ook een anemometer op een dak staan. En bovenop een mast van een zeilboot.
 

Er zijn nog meer soorten anemometers: de ultrasone anemometer (die meet met geluidsgolven die sneller of langzamer bewegen door de wind) ; de propellor anemometer( die  meet de omwentelingen van een ronddraaiende propellor) en een handanemometer. Die laatste is niet zo nauwkeurig.

Als je de windsnelheid weet, dan kun je die omzetten in een windkracht. Het meest gebruikt wordt de schaal van Beaufort. Hieronder zie je een voorbeeld van die schaal.
Als je geen anemometer hebt, dan kun je toch een schatting van de windkracht maken door goed om je heen te kijken.