Kampen

VLINDERS EN LIBELLEN

Dinsdag 12 november was er in “De Leuke Hanzestad” een lezing die verzorgd werd door Albert Vliegenthart. Albert is een ecoloog en werkzaam bij “De Vlinderstichting”.
Het werd een heel leerzame avond voor de vele belangstellenden. Ik kreeg tijdens de lezing wel door dat ik nog maar heel weinig wist over deze prachtige insecten.  

Albert is een vlotte prater die de hele avond de aandacht wist vast te houden. Hij begon zijn lezing met de vlinders. Hieronder een vrij verslag van de lezing.

De vlinderstichting doet heel veel voor de natuur. Op de foto hiernaast ziet u waar ze allemaal mee bezig zijn. Helaas gaat het niet zo goed met de vlinders. Door allerlei oorzaken gaat de vlinderstand achteruit. Helemaal erg is het gesteld met de kleine vos. Deze vlinder was één van de meest voorkomende vlinders in ons land met een paar jaar terug nog 40000 exemplaren. Dit jaar werden er bij de vlindertelling nog maar 130 geteld! Hoe dit om te keren? Daarover later.

De vlinders zijn te verdelen in twee groepen: dagvlinders en nachtvlinders.
Je zou denken dat het dan makkelijk is om ze te determineren, maar dat is niet helemaal waar. Er zijn namelijk ook een aantal nachtvlinders die overdag vliegen. Toch is het niet moeilijk te zien want dagvlinders hebben aan het eind van de sprieten een knopje en nachtvlinders hebben geveerde, gefranjerde sprieten. Bij dagvlinders zijn de vleugels omhoog of open en nachtvlinders hebben de vleugels plat op hun lijf. Er zijn trouwens veel meer nachtvlinders dan dagvlinders ongeveer 60 soorten zijn dagvlinder en van de nachtvlinders heb je 2300 soorten. Van die 2300 zijn er 800 groot( macro’s) en 1500 klein( micro’s).

Nachtvlinders

De meeste nachtvlinders vliegen ’s nachts. Maar bijvoorbeeld de Sint Jansvlinder vliegt overdag. Nachtvlinders zien licht wat wij niet kunnen zien namelijk ultraviolet licht. Om te kunnen zien hoeveel nachtvlinders er in een gebied voorkomen hangen  onderzoekers een wit verlicht laken neer. Aangetrokken door het licht komen de vlinders dan aanvliegen.
Ze kunnen ook heel goed gelokt worden met wat zoets. Doe je er dan ook wat alcohol doorheen dan is het wel zeker dat ze komen. Alcohol vervliegt snel en de vlinders kunnen dat met hun gevoelige antennes van heel ver ruiken. Mannetjes kunnen het beste ruiken. Dat moet wel, want willen ze een vrouwtje kunnen vinden zonder reuk dan waren ze al dood voordat ze er één gevonden hadden. De vrouwtjes scheiden feromonen af. De mannetjes kunnen dat soms wel tot op 3 kilometer afstand ruiken! Er zijn zelfs vrouwtjes zonder vleugels. Die hebben ze niet nodig want de mannetjes komen toch wel.
Om dieren te beschermen moet je weten wat ze eten en waar ze dat eten. Zo heb je de nachtzwaluw. Die leeft op heidevelden en zandverstuivingen. Hij eet nachtvlinders. Dan zou je denken zorg dat het goed gaat met de heide zodat de nachtvlinders die op heide vliegen gedijen en met de nachtzwaluw gaat het ook goed. Maar nee, het blijkt dat de nachtzwaluw naar landerijen vliegt en daar de nachtvlinders opeet. Gaat het slecht met die vlinders dan gaat het ook slecht met de nachtzwaluw. Zo moet je er steeds alert op zijn dat je niet te snel conclusies trekt.

Dagvlinders

Dagvlinders zijn ook erg functioneel. Ze bestuiven planten en dienen als voedsel voor andere dieren. Hun rupsen houden de vegetatie in toom en zijn voor veel dieren ook een lekkernij.
Iedereen weet de levenscyclus van de vlinder wel: ei – rups -pop -vlinder. Maar dat gebeurt op allerlei manieren. Elke vlindersoort heeft zijn eigen waardplant(en). De ene wil speciaal brandnetels hebbe, de ander weer een schermbloemige enzovoort. Als voorbeeld de levenscyclus van de oranjetip.

De oranjetip heeft als waardplant de pinksterbloem. In het voorjaar zijn die er volop.  In maart komen de eerste vlinders uit poppen die overwinterd hebben. Ze moeten snel zijn, want ze leven maar zo’n 6 dagen. Een mannetje gaat onmiddellijk op zoek naar een vrouwtje. Zodra die bevrucht is zoekt hij weer een andere. Het bevruchte vrouwtje wil nu van andere mannetjes niks meer weten en gaat op zoek naar een pinksterbloem die op het punt van bloeien staat. Ze kijkt even of er al een eitje op de plant zit. Is dit niet zo dan legt ze 1 eitje vlakbij de bloemen. Niet meer want de rupsen die uit een eitje komen zijn kannibalistisch. Ze heeft dan nog ongeveer 199 eitjes te gaan. Na twee dagen komt er al een rupsje uit het eitje. Die eet en eet en eet en vervelt wel 7 keer. Dan gaat ie zoeken naar iets houtigs. Iets wat de hele winter kan blijven staan. Daarop gaat hij zich verpoppen en zodra het maart is komt er weer een nieuwe oranjetip uit.

Overwintering kan dus als pop, maar ook als vlinder ( citroenvlinder;gehakte aurelia); ei ( eikenpage) en als rups ( grote vuurvlinder; gentiaanblauwtje). Dat gentiaanblauwtje overleeft de winter wel heel bijzonder. De rups laat zich op de grond vallen en wacht tot hij gevonden wordt door mieren. Omdat hij een stof uitscheidt die op een mierenlarve lijkt, wordt hij meegenomen naar het nest waar hij volop te eten krijgt. Uiteindelijk verpopt hij zich in het mierennest. Als de vlinder er uitkomt moet ie maken dat hij wegkomt omdat de mieren zich nu niet meer laten foppen.

Vlinders hebben vaak een paar generaties per jaar. Elke generatie ziet er hetzelfde uit, maar dat is niet bij alle soorten zo. Het landkaartje heeft een voorjaarsvorm en een zomervorm die er heel verschillend uitzien. In het najaar soms nog een mengvorm.
De meeste mensen vinden de koninginnepage de mooiste vlinder.

Wil het goed gaan met een vlindersoort dan moet er aan een aantal voorwaarden voldaan worden. Je kunt een tuin vol met vlinderstruiken zetten zodat de vlinders zich vol kunnen eten met nectar, maar als er geen plant in de buurt is waar ze hun eitjes op kunnen leggen dan hebben de vlinders er niet veel aan. Een goede variatie in planten is belangrijk. En dan speciaal inheemse planten. Daar leggen de vlinders hun eitjes op eten de rupsen zich vol. Wil je een vlindervriendelijke tuin, beplant dan ook een gedeelte met dat soort planten.  Een vlinderstruik is prima, maar kun je beschouwen als een soort bar waar je heerlijk kunt drinken, maar niet kunt wonen. Heel veel planten zijn geschikt als vlinderplant. Een keuze van de vlinderstichting om van het begin van het jaar tot het eind voedsel te hebben voor de vlinders is:

  1. Winterheide
  2. Sneeuwbal / Viburnum
  3. Judaspenning
  4. Lavendel
  5. Vlinderstruik
  6. IJzerhard
  7. Koninginnenkruid
  8. Hemelsleutel
  9. Herfstaster
  10. Klimop

En toen was het pauze en tijd voor een drankje en de verloting. Weer heel wat mensen gingen met een leuk prijsje naar huis.
En ondertussen konden we nog naar een foto kijken van een aantal van die prachtige dagvlinders.

Libellen

Na de pauze gingen we verder met de libellen. ( Misschien nam u ook wel even een pauze, want het is een lang verslag geworden)
We leerden al meteen dat het enkelvoud van libellen geen libelle is, maar een libel. Een libel heeft grote ogen, een groot borststuk, grote vleugels en lange poten. Hun ogen zijn facetogen waarbij de oogdelen verschillende functies hebben. Ook libellen zijn onderverdeeld in twee groepen: de echte libellen en de juffers.

Hoe kun je die onderscheiden. Bij de juffers zijn de voor- en achtervleugel gelijk, terwijl die van de echte libellen verschillend van vorm zijn. Bij de juffers staan de ogen ver uit elkaar en bij de libellen raken de ogen elkaar.

Libellen steken niet, maar kunnen wel bijten met hun sterke kaken. Dat doen ze bij een mens praktisch nooit. Ze vliegen behoorlijk snel tot wel 45 km/uur. Ze eten talloze insecten.

Hoe planten ze zich voort? In het algemeen gaat het op de volgende manier. ( er zijn veel variaties mogelijk)
Een mannetje zorgt ervoor dat hij een territorium krijgt. Bijna altijd in de buurt van water, want daar moeten de eitjes in terecht komen.  Zodra er een vrouwtje verschijnt grijpt hij haar. Dit doet hij door met zijn achterlijfsaanhangselen het vrouwtje beet te pakken bij het halsschild (juffers) of achter de kop (libellen). Dit is de tandemhouding. Na een flinke worsteling bungelt het vrouwtje achter het mannetje aan en vliegen ze naar een geschikte plek. Daar ontstaat het paringsrad.  Het vrouwtje brengt haar achterlijfspunt naar de onderkant van het achterlijf van het mannetje, vlak achter het borststuk. Hier bevindt zich namelijk het secundaire geslachtorgaan van het mannetje, waar een spermapakketje ligt opgeslagen. Dit spermapakketje heeft het mannetje zelf overgebracht van het primaire geslachtsorgaan (in de achterlijfspunt), naar het secundaire geslachtsorgaan. Als het vrouwtje al gepaard heeft verwijdert het mannetje dat sperma en dan wordt het nieuwe sperma naar het vrouwtje gebracht.  Wil het vrouwtje het niet dan weet ze zich vaak wel vrij te worstelen. Is dat klaar dan vliegen ze in tandemhouding naar het water. Daar legt het vrouwtje haar eieren in het water. Vaak kijkt het mannetje toe, want stel dat er nog een ander mannetje komt.  Soms slaat hij ook het vrouwtje op het water zodat die de eitjes los laat.

Uit de eitjes komt een larve. Die eet zich vol met steeds grotere prooien. Uiteindelijk kan zelf s een stekelbaarsje verorberd worden. Na zo’n 7 keer vervellen is de larve klaar. Dat kan na 1, 2 of 3 jaar zijn. De larve kruipt uit het water en dan komt de nieuwe libel tevoorschijn. Het popstadium wordt dus overgeslagen.

In tegenstelling tot de vlinders gaat het met de libellen prima. De waterkwaliteit is de laatste jaren aanzienlijk verbeterd.

Het was zoals u kon lezen een zeer interessante avond waarop we veel geleerd hebben. En dit is dan nog niet eens een volledige samenvatting!